 |
|
In opdracht van de Leidse Schouwburg, en in samenwerking met Onno Blom stelde Behoud de Begeerte een programma over Leiden samen, van en met schrijvers die nauw bij de stad Leiden zijn betrokken. Geen stad in Nederland heeft een mooiere literaire traditie dan Leiden: Van Piet Paaltjens tot Jan Wolkers, van Klikspaan tot Maarten ’t Hart, van Nicolaas Beets tot Ilja Leonard Pfeijffer, allen woonden en werkten ze in Leiden en wandelden over het Rapenburg, 'de schoonste dreef ter wereld'. Zelfs Willem Bilderdijk, de grootste knorrepot onder onze dichters, die nergens kon ademen, leefde op in Leiden omdat men daar over de schoonste en zuiverste lucht beschikt. In de verhalen en gedichten van de schrijvers is Leiden een schitterende toverstad geworden. Een oord vol fantasie, weemoed en verlangen. In Schrijvers van de Sleutelstad / Oude & nieuwe Leidsche werd die toverstad op het podium van de Schouwburg in een afwisselend programma tot leven gebracht. Christiaan Weijts, Gerrit Komrij, Ilja Pfeijffer, Frank Koenegracht en Abdelkader Benali maakten deel uit van het programma, net als Paul van Vliet, die de stemmen van de negentiende eeuwers weer liet opklinken, en Ellen ten Damme, die teksten van Ilja Pfeijffer zong. Onno Blom presenteerde.
Schrijvers van de Sleutelstad is een programma dat gebaseerd is op de bloemlezing Oude en nieuwe Leidsche, die dit najaar verschijnt en door Onno Bloem en Ilja Pfeijffer is samengesteld. Een fragment uit de inleiding:
Leiden is beter dan Amsterdam. Je hoeft niet eens zo heel veel verstand te hebben van belangrijke dingen om dat in te zien. Amsterdam trekt altijd een beetje de aandacht met dodenherdenking, toerisme, verzakkende metrotunnels en dat hele hoofdstad zijn. Leiden heeft dat niet nodig. Leiden is in zichzelf gekeerd als een oester die een parel koestert. Leiden heeft een verleden. Amsterdam heeft een ziekelijk voortetterend heden en geen toekomst.
Maar waarom moeten we het eigenlijk hebben over Amsterdam? Hoofdstedelijke schrijvers hokken met hun hoofdstedelijke arrogantie een beetje samen voor slemppartijen in cafés rond het Spui of achter het Concertgebouw en vragen je aan het einde van de avond meewarig of je nog terug naar Leiden moet. Leidse schrijvers slempen ook, misschien nog wel meer, maar dat zijn slemppartijen van niveau en in elk geval weten zij dat er nachttreinen bestaan. En de cafés zijn ook beter, omdat er niet alleen maar schrijvers komen.
Er zijn sowieso te veel schrijvers en zeker in Amsterdam. En er zijn altijd te weinig cafés, maar in Leiden heb je tenminste nog de keuze, anders dan in Amsterdam, waar er zo veel zijn dat ze zich allemaal hebben toegelegd op een specifiek gedefinieerde klandizie waardoor je je alleen maar kunt vertonen in die twee of drie cafés die worden gefrequenteerd door jouw soort mensen.
Amsterdam is tot op het bot provinciaal. Het wordt bevolkt door mensen die alleen maar hun eigen soort mensen ontmoeten en die geloven dat er buiten de Grachtengordel slechts kaalslag en wildernis woekeren, een immens braakland dat zich uitstrekt tot ver achter Amstelveen en waar slechts stumperds wonen die ternauwernood kunnen lezen en schrijven en die als horigen aan hun eigen beklagenswaardigheid ploeteren om hun minderwaardig bestaan ten onrechte in stand te houden.
Leiden is een mondaine metropool. Het wordt bevolkt door mensen die weten dat buiten de Singels de wereld klopt en bruist. Sterker nog, ze weten dat je daar ook naartoe kunt met bussen en treinen. Die rijden ook. Als je in Leiden woont, moet je daar wel op vertrouwen. En de wereld komt naar Leiden. Geen roedels dronken Engelsen op zoek naar hash en hoeren, maar Descartes, Mahler, Freud en Einstein. Het grootste maatschappelijke probleem in Leiden is de huisvesting van de toeloop van buitenlandse studenten en professoren van over de hele wereld. In Amsterdam is het wildplassen. Als Amsterdam het Sodom en Gomorra is van de Lage Landen, dan is Leiden Bataafs Athene. De Muzen hebben hun intrek genomen aan de oevers van het Rapenburg terwijl de Amsterdamse grachten worden volgekotst door barbaren.
Leiden herbergt de oudste universiteit van Nederland. De Vader des Vaderlands wilde de Leidse bevolking een geschenk geven als blijk van dankbaarheid voor haar heldhaftig verzet tegen de Spaanse Furie. Zij mocht kiezen tussen vrijstelling van belasting of een universiteit. Zij koos de universiteit. Sinds dat moment is heel de stad universiteit geworden. Onder het lommerrijk lover in de parken wordt gefluisterd in het Latijn. In de hoge hallen klinkt een eredienst voor een Perzisch vers. In de Sterrewacht wordt geknipoogd naar het hiernamaals. In de kelders van het Kamerlingh'-Onnes laboratorium wordt de schepping bevroren tot de kristallen van haar ijskoude essentie. Iedereen leest Sanskriet. De meisjes zijn eeuwig negentien.
Amsterdam heeft dat naderhand zo’n beetje proberen na te apen. Ze hebben zelfs twee universiteiten. Maar de ene is een zelfmoordflat op de Zuidas die onmachtige conservatieve premiers en vicepremiers uitpoept. De andere is een lappendeken van dure panden waarin iedereen zich op zijn eigen schouders staat te kloppen en waarin verder niets gebeurt. Wij hebben in Amsterdam nog nooit een student gezien. Of iemand die iets wist. Of iemand die iets wilde weten.
Geen stad in Nederland, zelfs Amsterdam niet, kan bogen op zo’n rijke literaire traditie als Leiden. P.C. Hooft zong in de zeventiende eeuw al de eeuwige lof van de stad in zijn Historiën. In de negentiende eeuw kon je op de Breestraat of aan de voet van de Burcht Nicolaas Beets, Conrad Busken Huet en Klikspaan tegen het lijf lopen. Een eeuw later traden Jan Wolkers, F.B. Hotz, Maarten Biesheuvel en Maarten ’t Hart in hun voetsporen.
|