fragmenten

fragment

04/08/2025

De olifant staat aan de rand van de rivier

Dag 1

De olifant staat aan de rand van de rivier. Aarzelend betast ze met de punt van haar slurf het water, dat kouder is dan gewoonlijk. Even draait ze onwennig met haar oren en kijkt om zich heen, alsof ze iets of iemand zoekt. Ze stoot een zacht, diep gebrom uit, maar er komt geen antwoord. Opnieuw besnuffelt ze het wateroppervlak, ontkrult haar slurf helemaal, dompelt de tip onder en zuigt het koele vocht op. Werpt dan haar kop in haar nek, brengt de slurftip naar haar mond en drinkt gulzig. Zo blijft ze staan, met haar slurf in haar mond en haar ogen gesloten van genot achter de zacht trillende wimpers. Haar lichaam ontspant zich, ze laat zich door één heup zakken, haar linkerachterpoot leunt achteloos op zijn tip. De opkomende zon kleurt het dier geelgrijs; alleen de plekken waar haar huid nat is, steken donker af tegen de rest. De waterdruppels die uit haar mondhoeken spatten, fonkelen in het zonlicht. Dan verstart ze, heel even maar, laat haar slurf uit haar bek vallen en snuift de lucht op. Een
onbekende geur waait haar tegemoet. Zoekend naar de oorsprong tilt ze haar slurf nog wat hoger op; de donkere, natte punt beweegt zich langzaam door de lucht. In het tegenlicht tekenen de lange haren op haar slurf en kin zich scherp af tegen de lichtgrijze hemel. Plots draait ze haar kop: daar! Dreigend en groots richt ze zich op, spreidt de oren wijd en kijkt in de richting van de andere oever, waar de geur vandaan komt. De geur en het geluid van naderende voetstappen.

De man aan de overkant ziet haar niet. Licht dronken en vol van zichzelf loopt hij over de promenade langs het water. In de bocht van de rivier blijft hij staan. Hoewel nog niks zeker is en hij weet dat zijn vreugde te vroeg komt, overvalt hem een onstuitbare overwinningsroes. Hij vist zijn iPhone uit de binnenzak van zijn jacquet, swipet hem open en strekt zijn arm uit om een selfie te nemen. Ziet dan dat zijn das los is geraakt, laat de telefoon weer zakken en trekt de knoop recht. Of orde tot God leidt, betwijfelt hij, maar dat het de kortste weg naar de macht is, weet hij zeker. Opnieuw richt hij de camera op zichzelf en blikt in de lens. Deze keer is hij tevreden met wat hij ziet. Nog één keer haalt hij zijn hand door zijn haren, dan glimlacht hij, een zelfingenomen, triomfantelijke glimlach, en knijpt zijn ogen halfdicht – een tip van zijn mediatrainer. Oogt sympathieker. Daarna drukt hij af. Achter hem glinstert de glazen koepel van de Rijksdag in het licht van de opkomende zon. Als wat de journalist hem daarnet heeft verteld waar is, is het een kwestie van tijd voor hij daarbinnen eindelijk de lakens uitdeelt in plaats van getolereerd te worden. Dan is die blinkende bal zijn speelgoed en de witte kubus van de Bondskanselarij, die in de verte boven zijn linkerschouder uitsteekt, zijn toekomstige bureau.
Hij laat zijn telefoon weer in zijn zak glijden en wandelt verder langs het water. In gedachten ziet hij zich al op het terras op de zevende verdieping staan, met uitzicht over de hele stad. Zijn stad. Van hem en van alle Duitsers. Als hij het gebouw van de openbare omroep passeert, grinnikt hij vol voorpret; ze zullen hem wel moeten bellen, straks, voor de avondtalkshow. Een dergelijk resultaat valt niet te negeren. Intussen is hij bijna bij het station. Zijn oog valt op twee daklozen, die onder de spoorwegbrug liggen te slapen. De geïmproviseerde tarp die hen moet beschutten voor de kille wind die onder de brug doorjaagt, is losgescheurd en fladdert als een wanhopige vogel boven hun hoofden. Met kwaadaardig plezier schopt Holger Fuchs een van hun lege bierflesjes weg; luid klingelend spat het uit elkaar tegen de betonnen brugpijler.
‘Wakker worden, jongens. Er waait een nieuwe wind door Duitsland, en het eerste wat we gaan doen, is de stad
schoonblazen. Pak maar alvast in.’
Gealarmeerd door het lawaai draait een van de mannen zich om en richt zich half op, klaar om zichzelf en zijn spullen te verdedigen. Fuchs versnelt zijn pas en draaft de trappen op, net op tijd om in de aankomende S-Bahn te springen, die hem in minder dan twintig minuten thuis zal brengen.

Uit: Het geschenk van Gaea Schoeters

producties