fragmenten

fragment

04/09/2025

Zoveel verdriet, nee, dat is niet het juiste woord

Zoveel verdriet, nee, dat is niet het juiste woord. Zo’n mokerslag, zo’n regen van mokerslagen? Zelfs dat niet. Zo’n verbijstering, een totale verbrijzeling, van kop tot teen, zo totaal dat de vader niet sprakeloos is maar dat hij zijn mond niet kan houden. Het stroomt hem de keel uit, de mond uit, het hart uit, de poriën uit, uit zijn lippen en uit zijn vingertoppen, uit zijn ogen en uit zijn oksels en voorhoofd en knieën en voeten. Nooit zal het ophouden. Nooit zal er een eind aan komen. Noch aan het schuldbesef, noch aan de verbijstering, noch aan de boetegang van de vader. Want hij zit in die godverdomde loop, die eeuwige, cirkelvormige greppel die hij zelf trekt, steeds dieper. En bij elke stap is zijn smeekbede om vergeving hoorbaar, en tegelijk zijn zelfvervloeking, en tegelijk de liefdesbetuigingen voor zijn zoon. Zinnen waar geen eind aan komt, telkens opnieuw, alsof de schrijver de dood maar ook de vergeving wil uitstellen door nog iets toe te voegen, en nog iets, maar de dood luistert nooit, de dood maakt soms gebruik van het vuil van de straat om zijn buit binnen te halen. En daar is niets tegen te beginnen.

En toch.

Nog een liefkozing, nog een gedachteflits, nog een flard Vuurleeuw, want dat is wat een schrijver doet als tegenzet tegen de dood: beminnen met woorden, verzinnen, gelukkig zijn met woorden, verdrietig zijn met woorden, verbijsterd zijn met woorden, sprakeloos zijn met woorden, snotteren en huilen en schreeuwen en kotsen en schijten met woorden.
En toch.

Wat er ook gebeurt, het is onmogelijk om alle schoonheid met wortel en al uit te roeien. Altijd is er nog dat ene sprietje. Dat moeten we geloven.

Dierbare Aleksandr, je schrijft over de zes kinderen die rond Vladimirs graf stonden (en door hem van de dood zijn gered):

‘Of ik nu gelijk heb of niet, toch wil ik heel erg graag dat ieder van hen gelukkig is, dat elk moment van elke dag van het leven van elk van hen een knal, een saluut, een feestelijk vuurwerk voor jou is, ter ere van jou, ter nagedachtenis aan jouw heldendaad, aan het lijden dat je voor hen doorstond. Zodat goedheid groeit en zich vermenigvuldigt – in hun harten, met hun handen.’

Misschien ben jij in je boek een soort Orpheus, allerbeste Aleksandr, de man die met zijn muziek de god van de onderwereld kon vermurwen.

Omdat je een schrijver bent, weet je dat je je zoon met woorden kunt omhelzen. Maar op het eind, en dat weet je ook als schrijver, zal die omhelzing onmogelijk blijken. Dat weet je maar al te goed, maar dat houdt je niet tegen. Toch daal je in de onderwereld af. En dat is het ware schrijven. In de onderwereld afdalen, beseffend dat we de geliefde niet weer tot leven kunnen wekken. En toch wekken we de geliefde tot leven, wekken we tegelijk de onmogelijkheid tot leven, wekken we het levenslange gemis, wekken we de wonde, wekken we de schreeuw, dat gat in onze ziel.

En toch.

Dierbare Aleksandr. Bedankt dat je me je zoon Vladimir hebt leren kennen. Hij zit in mijn hart. Die stralende. Die Vladimir, (dit zijn woorden uit je brieven) die vrijgevige, trotse, pure, lieve, zo pijnlijk scherp geliefde, gracieuze, engelachtige, goudgelokte, hemelsmooie, goedgelovige, aanhalige, oneindig goede, prachtige Vladimir die er zelfs in slaagt om de naam Vladimir, vergiftigd door dat gedrocht, die kwaadaardige dwerg uit het Kremlin, jouw Vladimir brengt die naam weer aan het stralen, jouw prachtige zoon, die nu overeind komt, het zand van zijn jeans klopt, boven hem strekt een onberispelijk heldere lucht zich uit, de zeebries speelt met de jonge, tere bladeren van de groene boom, en jij, liggend op het warme zand, jij luistert naar het gelach van je zoon als naar een goddelijke symfonie.

Peter Verhelsts lofrede voor Aleksandr Skorobogatov naar aanleiding van het verschijnen van Achter de donkere wouden

producties